zondag 7 april 2013

ds. P. Hulshof
zondag 7 april 2013

Ik -Johannes- zat er ook bij.
Ik zie ons nog zo zitten op dat strand bij het meer van Tiberias.
We waren nog onder de indruk van wat er gebeurd was.
Opnieuw de verschijning van de opgestane Heer.
De vissen, die we vingen, toen we het net aan de andere kant van de boot hadden uitgegooid.
Het vuurtje, waarop al vis en brood lag. Onze vissen had Hij niet eens nodig.


En dan de spanning, die er heerste.
Want we zagen Hem wel en we aten samen. Maar het bleef zo onwezenlijk. Niemand van ons durfde Hem te vragen: Wie bent U? Want we wisten, dat Hij de Here was.


En toen opeens die vraag van Jezus aan Petrus.
Och, wat schrok hij. Dat zag je gebeuren.
Petrus, heb je …
Of nee, zo zei Jezus dat niet.
Nee, Hij gebruikte die andere naam.
Niet Petrus. Niet rots.
Maar zijn oude naam: Simon.
Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief, meer dan de anderen hier?
En dat vroeg Jezus niet één keer, maar wel drie keer.


En Petrus begreep wel waarom.
Het was niet niks, wat hij gedaan had.
Drie keer had hij Jezus verloochend.
Drie keer had hij gezegd: Ik ken Hem niet.
Bij mijn weten is daar verder nog niet over gesproken.


En dan nu drie keer die vraag: Simon, heb je Mij lief?
Och, ja had hem toen moeten zien.
Daar wist hij gewoon geen raad mee.


Ja, Jezus zei nog wel meer over het weiden van lammeren en over het hoeden van schapen.
Maar die vragen, ja, die hakten er wel in.
En zeker hoe Jezus dat deed.


Want Hij stelde dan wel drie keer die vraag, maar het was toch elke keer weer anders.
Jezus deed dat in het Aramees.
En nu schrijf ik mijn evangelie in het Grieks en dat wil dat zo goed mogelijk weergeven.
Maar nou heb je in het Grieks wel drie woorden voor liefde.

Je hebt het woord agapè.

En dan is er ook nog het woord filia.
En eros wordt ook wel gebruikt.


Ik ga ze alle drie maar even snel bij
langs.


Agapè. Dat is een liefde, die alles voor
de ander over heeft.
Als je als jongen verliefd bent op een
meisje, dan heb je veel voor haar over.
Een ring mag dan best € 100,00 kosten.
En ook nog wel meer. Dat heb je voor haar over.
Dat is agapé.
En de volmaakte agapé zie je bij God.
Als je even terugbladert in mijn evangelie naar hoofdstuk 3, dan staan daar die
woorden over God, die ons zo lief heeft, dat Hij zijn eigen zoon gegeven heeft om
ons te redden.
Nou dat is agapè in de meest pure vorm.
Een gevende liefde.
Een zelfopofferende liefde.


En nou komen we bij filia.
Dat is wat minder sterk.
Dan moet je denken aan vriendschappen met je buren of met je collega’s.
Filia is een stuk medemenselijkheid.
Je geeft om elkaar.
 Maar het gaat lang niet zo ver als bij agapè.


En dan is er ook nog het woord eros.
Nou, dat ken je misschien wel.
Dan wordt het wat erotisch.
De prikkelende liefde.


Maar in dat gesprek tussen Jezus en Petrus gaat het om die eerste twee woorden.
Om agapè en filia.
Dat was echt heel bijzonder, hoe dat ging.


Want Jezus zette ontzettend hoog in.
Hij zei: Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief meer dan de anderen hier?
Dat is agapè van het hoogste niveau.
Vooral door die toevoeging: meer dan de anderen hier.
Dan moet je echt alles maar ook alles voor Hem over hebben.


Vol spanning keken we naar Petrus.
Wat zou hij zeggen?
Hij is niet op z’n mondje gevallen en heeft zijn antwoorden gauw klaar.
Maar toen … je zag hem helemaal wegkwijnen.

Wat was dat aangrijpend.


Want ja, Petrus, ja dat is me er ééntje.
Die staat altijd vooraan.
Hij is een man met heel veel lef.
Toen Jezus zei, dat wij aanstoot aan Hem zouden nemen en dat wij Hem zouden verlaten, toen was hij degene die zei: Maar dat doe ik niet. Al zouden alle andere discipelen U verlaten, ik zal dat nooit doen.
En dat heeft hij ook laten zien, toen die soldaten in de hof van Gethsemane Jezus gevangen wilden nemen. Toen had Petrus naar zijn zwaard gegrepen en het oor van Malchus er af geslagen.
En ook bij het meer van Tiberias was hij weer de eerste die de boot uitsprong en naar de Here rende.

Dat is Petrus. Zo ken ik hem.
Maar toen, bij die vraag, toen was hij zo klein. Zo timide.
Nee, dat woord agapè durfde hij niet eens te zeggen. En dat meer dan de anderen hier dat was ook veel te hoog neergezet. Dat was echt een brug te ver.
Nee, weet je welk woord Petrus gebruikte? Dat woord filia of als je het als werkwoord gebruikt filio.
Heer, U weet dat ik van U houd.
Alle bravoure was weg.
Alleen maar: filia.


Tjonge, de stilte was toen te snijden.
Want hoe Jezus reageren?
Zou Hij teleurgesteld zijn? Zou Hij daar tegen in gaan?
En moet je dan eens horen wat Hij zegt.
Want Hij vraagt het weer aan Petrus, alleen Hij doet er wel een schepje vanaf. Dat meer dan de anderen hier laat Hij nu weg.
Hij vraagt nu alleen: Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief? Jezus houdt wel vast aan dat woord agapè, maar Hij komt Petrus wat tegemoet. Het klinkt in ieder geval al een stuk gewoner.


Maar voor Petrus was het toch nog te hoog.
Wat heeft die man zichzelf leren kennen, zeg.
Wat was hij teleurgesteld in zichzelf.
Hij weet maar al te goed wat hij heeft gedaan.
En daarom blijft hij op dat lagere niveau staan. Op dat niveau van filio.
Heer, U weet dat ik van U houd.
Och, die Petrus. Wat had het moeilijk. Ik had echt met hem te doen.

En Jezus stelt voor de derde keer die vraag. Alleen dan doet Hij er nog een flinke schep van af. Weet je wat Hij doet? Hij gaat op het niveau van Petrus staan. Hij neemt dat woord filia over en Hij zegt: Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij?


Nou, toen had Petrus het helemaal niet meer.
Hij brak helemaal. Het was gewoon een zielig hoopje mens, die het uitschreeuwde: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd.


En ik .... ik zat er bij.
En ik moet zo vaak denken aan dat gesprek en aan de spanning die we toen allemaal voelden. Dat was echt heel beladen.


We zagen een heel andere kant van Petrus.
Maar we zagen ook de liefde van de opgestane Heer en Heiland.
We zagen iets van Zijn bewogenheid met Petrus.
Iets van zijn genade.


Want laten we wel zijn: Jezus had ook op Zijn niveau kunnen blijven staan. En als Jezus dat had gedaan, dan vraag ik me echt of Petrus daarmee geholpen was.


Maar Jezus deed dat niet. Hij bleef niet op Zijn niveau staan.
Hij daalde of tot het niveau van Petrus.
Om hem te helpen.
Om hem te breken.
Om zo Zijn liefde ook in Petrus’ hart uit te storten.
Om zo ruimte te maken voor Zijn agapè, Zijn vergevende en Zijn verzoenende liefde.


Na dat gesprek ben ik in mijn leven noh heel wat verschillende mensen tegengekomen.
Mensen die lijken op Petrus.
Mensen met een grote mond en met een klein hartje.
Mensen die twijfelen aan zichzelf.
Mensen die zich afvragen of ze wel genoeg van God houden en of ze het wel goed genoeg doen.
Mensen die zich afvragen of er bij God nog wel een plekje voor hen is, want ze zien ook zoveel verkeerde dingen.


En dan wijs ik maar op Jezus.

Op wat Hij deed met Petrus.
Want dat doet Hij ook met alle andere mensen.
Hij zoekt ons. Hij steekt Zijn reddende hand naar ons uit.


Moet je eens kijken, hoe diep Hij daarvoor gegaan is.
Hij ging dwars door de dood heen.
En aan de andere kant van de dood

–ja, inderdaad: aan de andere kant van de dood- stond Hij op. Hij leeft. De weg is gebaand. De schuld is voldaan. En juist als de levende Heer en Heiland kan en wil Hij mensen helpen.


Ja, zo is Hij. Vol van liefde. Vol agapè. Vol verlangen om ons leven weer doel en zin te geven en om met ons verder te gaan.


Dat gesprek, dat was wel heel bijzonder.
Wat heb ik daar veel van geleerd.
Ook voor gesprekken met andere mensen.


Want ja, als het daar om gaat –om de communicatie tussen mensen- dan gaat dat nog wel eens fout. Mensen kunnen soms helemaal langs elkaar heenpraten.


En hoe komt dat nou?
Nou heel vaak heeft dat te maken met een niveauverschil.
De één staat hier, heel hoog.
En de ander staat daar, op een heel ander niveau.
En als beide partijen niet bereid zijn om elkaar tegemoet te komen, ja, dan krijg je een patstelling. Dan is de communicatie vaak niet mogelijk.


Ik denk aan die ouderling, die bij mensen op bezoek ging. Hij had zich goed voorbereid op een geestelijk gesprek, maar dat wilde maar niet lukken. De ouderling kwam gefrustreerd bij mij en deed zijn beklag over de mensen, die toch wel als meelevende leden bekend stonden.


Toen ik een paar weken later bij die mensen op bezoek kwam, hoorde ik de oorzaak van de communicatiestoornis. De man en de vrouw hadden net voor de komst van de ouderling ruzie gehad. Zij had daar met een hoogrode kleur gezeten, maar daar had de ouderling niets over gezegd. Hij wilde alleen maar over dingen praten, waar hun hoofd ff helemaal niet naar stond.
Kijk, dan heb je dit. Een niveauverschil.


Een ander voorbeeld is een weduwe.
Het eerste jaar was er veel meeleven en dat deed haar goed.
Maar na een jaar veranderde het meeleven in bemoeizucht.
Ze moest er nu toch maar eens over heen zijn.
En het zou goed zijn, als ze nu maar aan het werk ging.
Ze moest gewoon maar dingen aanpakken.
Zij riep wel,dat ze daar nog niet aan toe was en dat ze dat echt nog niet kon, maar niemand hoorde dat. Niemand luisterde daar naar. En waarom niet? Omdat zij vastzaten aan hun eigen meningen en aan hun eigen ideeën.


Dat deed Jezus juist niet.
Hij luisterde en Hij daalde af tot het niveau van Petrus.
Dat was zo gaaf.
En daar hoort luisteren bij.
Echt luisteren. Wat is dat ook belangrijk.

En dat is ook iets, wat opvalt. Dat wordt dan ook gezegd: Wat kun jij goed luisteren.
Ik denk wel eens dat we daarom geschapen zijn met twee oren en maar met één mond.


Maar als we echt luisteren naar elkaar, ja, dan kunnen er mooie dingen gebeuren.
Als we echt luisteren, dan ontstaat er openheid voor elkaar.
Dan ontstaat er ruimte om naast elkaar te gaan staan.
Dan gaan we samen zoeken naar het plan van God met ons leven.
Dat gaat misschien door heel veel vragen en moeiten heen.
Maar toch samen zoeken en zo elkaar tot hand en voet zijn in het geloof, in de hoop en in de liefde.


Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?
Ja, dat vroeg Jezus aan Petrus.
En toch ... het was net of die vraag ook aan mij werd gesteld en aan ons allemaal.
Want wat zou ik nou op die vraag hebben geantwoord?
En wat zou jij dan zeggen?


Ik merk dat dat heel wisselend kan zijn.
Er zijn momenten, ja, dan weet je het zeker. Natuurlijk heb ik Hem lief en heb ik alles voor Hem over. Echt alles. Dan kan kan ik zingen: Ik heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu.


En een andere keer dan weet ik het niet zo zeker meer. Dan lijk ik op Petrus en ben ik veel voorzichtiger. Ja, ik hou wel van Hem, maar die regel maar nooit zoveel als nu ... nee, dat lukt ff niet. Dat kan ik toch echt niet over mijn lippen krijgen.
Weet je wat ik dan wel eens zing? Dan zing ik het zo: Ik heb van U gehouden, maar zoveel als U.


Maar nooit zoveel als U.
Ja, want Zijn liefde is veel groter dan die van mij.
Hij is pure agapè. Zijn liefde gaat veel verder dan die van mij.
Ja, Zijn liefde zocht mij en Zijn bloed dat kocht mij,
door genade ben ik een kind van God.


Amen


Piet Hulshof, 7 april 2013

terug