Liturgie en overdenking zondag 10 februari 2013

Alex de Jong
Liturgie en overdenking zondag 10 februari 2013

Orde van dienst  zondag 10 februari (5e van Epifanie)

Lied voor de dienst: ELB 161 (Komt, laat ons vrolijk zingen): 1, 2 en 3
Woord van welkom
Intochtslied  (staande): Psalm 135: 1, 3 (Halleluja, looft den Heer)
Stil gebed, bemoediging en groet
Gezongen drempelgebed: Psalm 80:1 (O God van Jozef, leid ons verder)
Gebed om ontferming
Glorialied: Gez: 255: 1 en 3  (Ere zij aan God, de Vader)
Gebed bij de opening van de Bijbel
Momentje voor de kinderen (“Vissen vangen”)
Samenzang: Kindernevendienstlied: “We gaan voor even uit elkaar”
Kinderen naar de nevendienst
1e lezing (oude testament) : Jesaja 6: 1-8
Zingen Psalm 70: 1, 2
2e lezing (Evangelielezing): Lucas 5: 1-11
Zingen : Jezus ropt de learlingen (uit “Wat in Gelok 2”)
Verkondiging
Zingen: Gez. 481: 2, 3 (Maak ons volbrengers van dat woord)
Danken en bidden
Kinderen uit de nevendienst en oppas komen in de kerk
Inzameling van de gaven
Slotlied GOTZ 241: 1, 2 en 3 (Ga mee met ons)
Wegzending en zegen  (afgesloten met  amen, amen, amen)

 

Verkondiging (naar ds. Jos de Heer, PKN Oudekerk a/d Amstel)


Lieve broeders en zusters. In de eerste lezing hoorden wij vanmorgen hoe een engel met gloeiende kool de lippen zuivert van de profeet Jesaja. Als mensen hebben wij dat hard nodig. Want lippen kunnen mensen bemoedigen, maar ook onderuit halen. Onze tong is een van de kleinste lichaamsdelen, maar we zondigen er het meeste mee! Sommigen van u mogen dan gek zijn op ossentong, maar dat beest heeft zijn hele leven wel zijn mond gehouden!

Dat kleine tongetje van ons kan ons diep in de problemen brengen. Het is, zoals de apostel Jacobus in zijn brief schrijft (3:1-12) “als met een schip, Het roer is het kleinste deel van het schip, maar bepaalt wel waar zelfs het grootste schip heen gaat!” Zo is ook onze tong. Het is maar een klein lapje vlees, maar het bepaalt wél de richting van je leven. Onze tong is een taai stukje vlees. Met woorden kun je veel. Woorden bemiddelen, kunnen bruggen slaan, maar ook geweldige ruzies veroorzaken. En wat kun je op een bepaald woord zitten wachten. Maar wat kun je ook bang zijn voor een woord. Een woord dat je afwijst, dat je gezakt bent als een baksteen, dat die baan net aan je neus voorbij gaat. Een woord misschien dat je laatste levensfase aankondigt.

Woorden kunnen vol spanning zijn. Soms hebben mensen ruzie. Het hoogste woord komt er uit. De spanning is te snijden. Plotseling komt iemand met het verlossende woord. De spanning drijft weg, het feest is gered. Maar wie spreekt in ons leven dat verlossende woord, dat woord dat ons losmaakt? Sommige mensen hebben er slag van verlossende woorden te spreken. Als zij in de buurt zijn, valt de spanning weg. De leerlingen van Jezus hebben dat verlossende woord van Hem aan den lijve ervaren. Daarom is Hij niet zomaar een woord, Hij is Gods vleesgeworden Woord. Jezus spreekt voortdurende verlossende woorden. Dat had Hij van zijn Vader geleerd, die in het begin sprak: er zij licht, de dieren mogen er zijn, de planten, de planeten, de mensen. En tot Jezus zei Hij (zowel bij diens doop, als in zijn stervensuur): "Je bent mijn Zoon, mijn welbeminde".

Jezus neemt dat bevrijdende woord over. Tot de lamme zegt Hij: sta op en loop. Tot de overspelige vrouw: "ga heen en zondig niet meer". Tot de moordenaar op het kruis: "Heden nog zult ge met Mij zijn in het paradijs". En tot zijn leerlingen zegt Hij: "Laat je netten in de steek. Komt en volgt Mij. Vissers van mensen mogen jullie zijn!”
Mensen vangen kunnen we ook verstaan als een beeld van verlossing. Het is niet toevallig, dat Lucas dit verhaal laat volgen op het bericht dat Jezus rondgaat om "het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen" (Lucas 4:43): blinden het gezicht terug te geven, zieken te genezen, en mensen die gevangen zitten bevrijden. Tegen die achtergrond moeten we dit verhaal begrijpen.
"En Jezus zag twee schepen aan de oever liggen." (Lucas 5:1).
Lucas schrijft dat Jezus twee schepen zag liggen bij de oever. Nu we gezien hebben dat het vangen van mensen symbolisch moet worden begrepen, rijst natuurlijk de vraag of dat niet ook geldt voor die twee schepen. Het schip verwijst in de taal van de christelijke symboliek van oudsher naar de kerk. Maar twee schepen...: waaraan zou Lucas gedacht kunnen hebben, toen hij dit zo schreef? Vast niet aan de kerk van Oudehorne en Nieuwehorne. En ook niet aan de kerk van Rome en de Reformatie.
In het boek Handelingen, dat zoals u waarschijnlijk wel weet ook door Lucas is geschreven, lezen we voortdurend over spanningen tussen christenen, die strikt willen vasthouden aan de oude Joodse geloofstradities, en christenen die daar geen boodschap meer aan hebben. Het gaat dan steeds om zaken zoals sabbatsheiliging, eetgewoonten, reinheidsvoorschriften, huwelijkssluiting en andere zaken die terug te voeren zijn op cultuurverschillen. Zouden die twee schepen van Lucas iets te maken hebben met het hart van Jezus' boodschap: dat in Gods licht de tegenstellingen zich oplossen? Het is alsof Lucas ons wil voorhouden, dat dat redden van mensen alleen mogelijk is, wanneer we doordrongen zijn van de noodzaak om zulke tegenstellingen te overwinnen. "Zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij zouden komen helpen. En beide schepen werden tot zinkens toe gevuld!"
"Toen Simon Petrus dit zag..." (vers 8)
Lucas plaatst dit verhaal over Simon Petrus aan het begin van zijn evangelie, op de plaats waar Mattheus en Marcus het verhaal plaatsen over de roeping van de eerste discipelen. Ik denk, dat de Willibrord Vertaling daarom boven Lucas 5 het kopje plaatst "roeping van de eerste leerlingen". Maar terwijl de andere evangelisten ons vertellen, hoe Jezus na zijn eerste optreden in het openbaar een groep leerlingen om zich heen verzamelt, concentreert Lucas zich op de roeping van één hunner, van Simon (die wij beter kennen onder zijn naam Petrus, maar let u maar eens op: Lucas noemt hem nadrukkelijk steeds Simon; en dat zal wel niet toevallig zijn!). Over deze Simon gaat het vooral in dit wonderverhaal.

De evangelist die dat ook zo heeft begrepen is Johannes: bij hem vinden we ongeveer hetzelfde verhaal, met ook Simon Petrus in de hoofdrol; maar in dat Johannesevangelie staat het helemaal aan het einde - na Pasen. Jezus verschijnt in de versie van Johannes aan de oever, en wordt niet onmiddellijk herkend. Petrus ziet zelf niet dat het de Heer is, maar moet daar door een andere leerling - die Jezus wel heeft herkend - op worden gewezen.
“ Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen “ in vers 5

Zo kan het gaan als je in die tredmolen zit. Dat je het gevoel hebt geen stap verder te zijn gekomen. Dag na dag, jaar in jaar uit heb je hard gewerkt en je bent niks opgeschoten. Niet bereikt wat je gehoopt had. Wat je voor ogen stond. Ook al heb nog zo veel geïnvesteerd. Of, misschien heb je juist heel veel bereikt. Alles en iedereen heb je bereikt, behalve jezelf. Ergens heb je jezelf achtergelaten. Kwijt geraakt in de maalstroom. En wat je dan zou willen, is daar uitbreken. Weg uit die sleur. Een nieuw leven beginnen. Zoals je dat wel eens ziet in allerlei tv-programma’s, over mensen die het avontuur zoeken. Om ver van huis een nieuw begin te maken. Of, wat dichter bij huis, door hun huis compleet te verbouwen. Daar dromen we toch allemaal wel eens
van. Van radicaal het roer omgooien vanaf nu gaan we het anders doen!
We gooien het over een andere boeg! Maar toch niet door naar het diepe te gaan; naar het diepe water te om daar je netten uit te zetten... Op een plek waar je eigenlijk niks van verwacht. Waar niks te halen valt. Waar je geen winst te halen valt, maar alleen maar verlies. Dat is toch het laatste waar je van droomt.

Het is het laatste waar Simon op zit te wachten. Hij ziet er geen brood in. Hij gelooft er niet in. ‘Kan er iets goeds komen uit Nazareth?’ Dat gehucht waar nog nooit iemand van heeft gehoord. Een stipje op de kaart van Galilea. Waar die rabbi vandaan komt die bij hem aan boord klom. Maar op de een of andere manier... In Godsnaam dan maar: ‘Op uw woord zal ik de netten uitzetten...’
En Simon neemt de schoongeboende netten en zet ze uit. En dan gebeurt het, dat totaal overrompelende. De verbazing, de overvloed van vissen die ze binnenhalen. Zo veel dat de netten dreigen te scheuren en de schepen bijna zinken. Zo veel dat het bijna ondraaglijk is…

Je zou denken dat de vissers nu staan te juichen op hun boten bij het zien van die enorme vangst. Maar het tegendeel is het geval. ‘Ga weg van mij Heer,’ zegt Petrus, ‘want ik ben een zondig mens’. Wat is dat nu? Waarom reageert Simon alsof hij bezeten is van de mens die bij hem aan boord kwam. Die hij nu Heer noemt en waarom toch altijd en eeuwig weer dat woord zonde…? Het is natuurlijk een vreselijk besmet woord. Omdat het vaak zo moralistisch en wettisch is opgevat. Alsof het alleen maar gaat over de lelijke en onaardige dingen die we doen.

Maar het evangelie spreekt op en heel andere manier over het woord zonde. Dat kom je alleen maar op het spoor als je in de diepte de overvloed ziet. Want in het evangelie begint het niet met de zogenaamde ‘ellende’ en dat wat ‘fout’ is van de mens. Nee, het begint juist met de overvloed! Zoals ook in dit verhaal: Het begint met het royale gebaar van de God die onvoorwaardelijk ‘Ja’ zegt tegen de mens. Net als zijn zoon Jezus van Nazareth. Die dat ‘ja’-woord ook doet. Door mensen te bevrijden uit benauwdheid. Door ze op te richten als ze lam geslagen zijn.

En waar die ene mens verschijnt, valt een zeker licht op de mensen om hem heen. Een licht waardoor ze zichzelf anders gaan zien. En dat is onthullend, dat brengt een schok teweeg. Een crisiservaring - zoals bij Simon Petrus. Hij schrikt zich een ongeluk van die overvloed – uit het niks – omdat die hem geschonken wordt om niet. Omdat hij die niet zelf tot stand kon brengen. Omdat het vaak zoveel moeilijker is om te ontvangen dan te geven. ‘Ga a.j.b. maar weer weg’, zegt Simon. Was toch maar niet aan boord gekomen. Het is te veel, ik kan dit niet aan.

Jezus geeft te veel. Hij is een mens van teveel. Als je al dat licht ziet, dan denk je: dat haalt geen mens! Hoe kan ik daar bij komen, met mijn verstand en mijn gevoel. Je vijand liefhebben. Tot in het oneindige vergeven. Je bezit verkopen en aan de armen geven. Nee, misschien dan toch maar weer liever terug naar de tredmolen. Naar dat honkvaste bestaan. Waar we tenminste nog een poging kunnen doen om zelf iets te presteren. Liever dat dan al dat
goede te ontvangen van die mens. Want, wat een ongewis avontuur ga je tegemoet als je je daaraan overgeeft. Om zo in de vrijheid te worden gesteld van ‘niet hoeven’, ‘niet moeten’. Dat is bijna beangstigend.
Maar dan klinken die woorden: ‘Vrees niet...’
Wees niet bang, “Simon”, zegt zijn Heer, Leef toch niet uit die kramp dat je alles zelf moet waarmaken. Leef uit de liefde van die ene God die je aanvaardt. Die je onvoorwaardelijk accepteert zoals je bent. En laat het oude achter je. Het moeten presteren. Alles zelf waarmaken. Dat is nogal wat! Makkelijker
gezegd dan gedaan. En dan zegt hij tegen Simon: ‘Vanaf nu zul je iemand zijn die mensen vangt, die mensen omhoogtrekt uit het water’. En zo ontvangt hij midden in de doodsangst een nieuw leven. Hij wordt bekleed met een
nieuw ambt. Het ambt van visser; om mensen te vangen ten leven. Dat is wat er eigenlijk staat en dat is iets heel anders dan zieltjes winnen. Dat is mensen opvangen, opnemen in het netwerk van Gods liefde.

En dan gáát Simon, zijn leven raakt op drift. Hij laat alles achter om Jezus te volgen. En dat gaat ver…
Zelfs op het water volgt hij zijn Heer, om vervolgens als een baksteen naar beneden te zinken door een gebrek aan vertrouwen. Hij gaat met Jezus mee de berg op, tot aan de top. Het liefst zou hij daar tenten willen opslaan om te blijven. Met zijn hoofd in de wolken, in plaats van met beide benen op de
grond. En op een goed moment weet hij het zeker: ‘U bent de Christus!’, zegt hij tegen Jezus. Maar dat die het menselijk lijden niet aan zich voorbij laat gaan, daar begrijpt Simon dan weer helemaal niks van. Als dat lijden nadert, ligt hij met de andere leerlingen diep te slapen. En als Jezus berecht wordt, ontkent hij tot drie keer toe dat hij bij hem hoort. ‘Ik ken hem niet...’ is zijn antwoord. De haan kraait drie keer en Petrus vlucht. Als Jezus wordt gekruisigd, is hij er niet bij.

We zagen al dat Johannes deze gebeurtenis, waarbij Petrus tot inzicht komt wie Jezus is, plaats laat vinden na Pasen; na wat misschien ook wel het  scharnierpunt is in het leven van Petrus; want het scharnierpunt in het leven van Simon ligt bij het kraaien van de haan. Daar ligt voor hem een nieuw
begin: pas als hij tot inzicht komt en daarna wordt hij "uit het water gevist".
"Toen hij dit zag..."
Ik denk dat hij méér zag dan een overvloed aan vissen: namelijk de overweldigende betekenis van wie Jezus was. En wat hem voor ogen stond als hij sprak over Gods koninkrijk, waarin woorden rondzingen zoals: ik ben niet gekomen om te verdelgen (Lucas 4), ik ben niet gekomen om te oordelen (Lucas 6), maar om mensen te redden en aan mensen het leven terug te geven.
Misschien moet je, alvorens je anderen de weg kunt wijzen wel, net als Simon, eerst ooit in je eigen leven ervaren hebben dat het verloochenen van Jezus en onze ontrouw nooit het einde hoeft te betekenen. Dat mislukkingen in je leven en ontrouw niets veranderen aan die woorden: vanaf heden zul je mensen vangen/redden. Zou ons leven niet winnen aan diepte en aan betekenis, wanneer we wèrkelijk de durf zouden hebben om te leven uit de belofte die in die woorden ook besloten ligt?

Simon Petrus liet zijn schip voor wat het was, en ging op weg....
Zo is het verhaal van de wonderbare visvangst ook een verhaal vol bemoediging voor de kerk van vandaag. Ook wij mogen onze netten blijven uitwerpen. En daarmee is het verhaal een verhaal dat ons kan bemoedigen, ook in deze moeilijke tijden waarin de kerk verkeert. Ze zijn aan de orde van de dag: kerkgebouwen die sluiten, nog steeds afnemend kerkbezoek, preeklezers ipv een dominee. Ieder van ons heeft dan van die dagen waarop je de moed in de schoenen zinkt. Ook vanwege de economische crisis, die velen persoonlijk raakt. Kerk en Wereld zijn flink in beweging. Maar ook kunnen daardoor spanningen ontstaan: op je werk, in je huwelijk, je vriendschap, in je relatie met je kinderen of je ouders. Het geloof in het Vleesgeworden Woord kan je boven die situatie uittillen.

Zelfs als er bange woorden worden gesproken, is dat Woord van God vaak het enige woord dat je uit de put kan halen. Natuurlijk bant dat Woord van Jezus niet alle angst uit je leven. Natuurlijk verzekert het ons niet van een zorgeloos bestaan. Integendeel. Een oud spreekwoord zegt: God geeft ons de noten, maar Hij kraakt ze niet voor ons. Het geloof is geen toverstaf. Geloven in het Woord is niet bang zijn voor welke toekomst ook, is een wissel trekken op die toekomst, zelfs door dood, graf en elke crisis heen. Het evangelie van vanmorgen is duidelijk: je bent geroepen om Hem te volgen…

Ook wij mogen - op bevel van het Vleesgeworden Woord - onze netten blijven uitwerpen. En we leven van Zijn belofte: Gooi ook in deze tijd je netten maar uit, en Ik beloof je: zij zullen in de toekomst opnieuw scheuren door hun overvloed…”

Amen.
 

terug